• +31 (0)79 323 9558
  • Röntgenlaan 5, 2719DX Zoetermeer

Blog

Blog Thomas van Dijk

Inleiding 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Uitgangspunt is het vereenvoudigen en verduidelijken
Schadevergoeding voor politiemedewerkers met letsel
Politie agenten lopen tijdens hun werkzaamheden een grote kans om letsel (en daarmee letselschade) op te lopen. Zowel fysiek letsel
Onder toenemende maatschappelijke en politieke druk kwam in 2010 de Gedragscode, openheid medische incidenten; betere afwikkeling medische aansprakelijkheid (GOMA), onder
Recht op vergoeding van smartengeld of immateriële schade bestaat volgens art. 6:106 BW in de volgende drie gevallen: De aansprakelijke
Advocatenkantoor Thomas van Dijk werd op 21 december 2020 geauditeerd door de auditors van de vereniging van letselschadeadvocaten LSA. Op
Ook in een buitengerechtelijke procedure heeft een verzekerde recht op een vrije advocaatkeuze, aldus een recente uitspraak van het Klachteninstituut

Nieuw bewijsrecht: wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht

Inleiding

1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Uitgangspunt is het vereenvoudigen en verduidelijken van de mogelijkheden voor partijen om vooraf en tijdens een civiele procedure belangrijke informatie te krijgen over een geschil. De wetswijziging heeft ook gevolgen voor de letselschadepraktijk, in dit artikel worden de belangrijkste veranderingen en daarbij behorende gevolgen besproken.

 

Actieve rol van de rechter

Voor de wetswijziging diende de rechter ‘lijdelijk’ te zijn. Hij mocht enkel beslissen op geschilpunten die partijen zelf naar voren brachten en diende een afwachtende houding aan te nemen. In het nieuwe bewijsrecht krijgt de rechter een actievere rol. Uitgangspunt is dat de rechter na de mondelinge behandeling uitspraak kan doen. Daarvoor moet alle benodigde informatie uiterlijk aan het einde van de mondelinge behandeling beschikbaar zijn.

 

In artikel 24 lid 2 Rv krijgt de rechter de bevoegdheid en ruimte om mogelijke argumenten die uit het partijdebat volgen, met partijen te bespreken. Hij kan vragen stellen, inlichtingen inwinnen en suggesties doen. Ook zullen rechters vaker gebruik maken van de mogelijkheid om partijen op te dragen voorafgaand aan de mondelinge behandeling aanvullende informatie en stukken aan te leveren, dit in het kader van hun actievere regierol bij waarheidsvinding. De rechter die met partijen actief bijdraagt aan de waarheidsvinding en sturing geeft aan het procesverloop dient wel het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor toe te passen. Daarnaast draagt de rechter verantwoordelijkheid voor procedurele rechtvaardigheid. Het is de rechter dan ook nog steeds niet toegestaan om een van de partijen aan een mogelijk verweer te helpen of zelf argumenten aan te dragen.

 

Vrije bewijswaardering

De in artikel 164 lid 2 Rv opgenomen beperkte bewijskracht van de partijgetuigen vervalt. Eerder was het zo dat een rechter een door een partij te bewijzen stelling niet bewezen mag achten op basis van uitsluitend diens eigen getuigenverklaring (tenzij die verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs).

 

Met de wetswijziging wordt de bewijswaarde van een partijgetuigenverklaring aan het vrije oordeel van de rechter overgelaten. Wel moet de rechter verklaringen met een zekere behoedzaamheid beoordelen. Ondanks deze behoedzaamheid hoeft het feit dat enkel de benadeelde zijn stellingen over de toedracht van een ongeval kan onderbouwen, niet automatisch te leiden tot afwijzing van zijn vordering.

Door de wetswijziging kan bijvoorbeeld een slachtoffer van een ongeval nu zelf als getuige optreden, zonder dat aan zijn verklaring automatisch minder gewicht toekomt. Dit kan met name relevant zijn als er buiten het slachtoffer zelf geen andere getuigen van een ongeval zijn. Bij verkeersongevallen maar zeker ook bij arbeidsongevallen komt dit voor.

 

Versterking positie inzagerecht

De wetswijziging versterkt het inzagerecht, door het op gelijke voet te stellen met andere bewijsverrichtingen. Het nieuwe inzagerecht is opgenomen in artikel 194-196 Rv en biedt partijen meer mogelijkheden om informatie die relevant is voor hun procespositie, zonder tussenkomst van de rechter, in te zien. Niet alleen traditionele documenten, maar ook moderne vormen van informatie zoals computerbestanden vallen hieronder. Het inzagerecht geldt echter enkel voor specifieke, relevante informatie en kan niet worden gebruikt voor te brede verzoeken, zoals volledige dossiers.

 

Voorwaarden voor het recht op inzage houden in dat (i) de verzoeker partij moet zijn bij de rechtsbetrekking waarop het inzageverzoek ziet, (ii) de informatie die wordt verzocht moet voldoende bepaald zijn en (iii) de verzoeker moet hierbij een voldoende belang hebben. Verkrijgt een partij bepaalde informatie niet, dan kan het recht op inzage via de rechter worden afgedwongen. Geen recht op inzage bestaat als degene die over de verzochte informatie beschikt zich op een verschoningsrecht kan beroepen of als gewichtige redenen zich tegen de informatieverstrekking verzetten. Ten aanzien van het verschoningsrecht valt daar nu ook de (ex-)levensgezel van een partij in de procedure onder.

 

Een verzoekschriftprocedure voor alle voorlopige bewijsverrichtingen

De verschillende mogelijkheden om voorafgaand aan een procedure via de rechter toegang te krijgen tot informatie en bewijs, worden samengevoegd in één regeling voor voorlopige bewijsverrichtingen. In een verzoekschriftprocedure kan om een of meer voorlopige bewijsverrichtingen worden verzocht. Onder de voorlopige bewijsverrichting vallen niet allen het getuigenverhoor en deskundigenonderzoek, maar ook de descente en het verzoek inzage in bepaalde bescheiden.

 

Tegen beslissingen van de rechter op het verzoek om één of meer voorlopige bewijsverrichtingen staat geen hoger beroep of cassatie meer open, tenzij de rechter daar toestemming voor geeft. Tegen een beslissing tot toe- of afwijzing van een inzageverzoek voorafgaand aan de procedure staat voor elke partij wel nog steeds hoger beroep en cassatie open.

 

De samenvoeging maakt het mogelijk om verschillende bewijsmiddelen in één verzoek te combineren. Zo kunnen in een relatief korte procedure bijvoorbeeld zowel getuigen worden gehoord als deskundigen worden aangesteld. Deze veranderingen stimuleren het snel verkrijgen van informatie en bewijs.

Overgangsrecht

De veranderingen gelden voor procedures die na 1 januari 2025 aanhangig zijn gemaakt. Als de rechter in eerder aanhangige procedure na 1 januari 2025 uitspraak doet, is op een eventueel volgende instantie het nieuwe procesrecht wel van toepassing.

 

Voor meer informatie zie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2024-62.html

of neem contact op met mr. T.J.J. van Dijk (t.vandijk@advocaatvandijk.nl / 079-3239558)



Deel dit bericht:  

LinkedIn
Share
Copy link
URL is succesvol gekopieerd!



1 T.R.B. de Greve & P.M. Vos, ‘Het procesrechtelijke stel- en bewijsmoeras in een nieuw jasje, Tijdschrift overeenkomst in de rechtspraktijk 2024, nr. 8, p. 21-22.

2 J. Keizer, ‘Stille revolutie in het bewijsrecht’, Letsel & Schade 2024, nr. 4, p. 3.

3 J.M.I. Vink, ‘Vereenvoudiging en modernisering van de regels in het civiele bewijsrecht, FJR 2024/57, p. 301.

4 Eindtekst 35 498 Tweede Kamer.

5 J. Keizer, ‘Stille revolutie in het bewijsrecht’, Letsel & Schade 2024, nr. 4, p. 3-4.

6 B.G.M. Bijnen & L. Boor, ‘De betekenis van onzekerheid over de toedracht bij werkgeversaansprakelijkheid voor arbeidsongevallen’, TVP 2023, nr. 3, p. 82.

7 J.M.I. Vink, ‘Vereenvoudiging en modernisering van de regels in het civiele bewijsrecht’, FJR 2024.57, p. 300.

8 P.F. Lock, ‘De Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht: wat er (niet) gaat veranderen’, Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging 2024, nr. 3, p. 74.

9 J.M.I. Vink, ‘Vereenvoudiging en modernisering van de regels in het civiele bewijsrecht’, FJR 2024/57, p. 298.

10 Artikel 200 Rv.

11 Kamerstukken II 2021-2022, 35 498, nr. 7, p. 3.

Schadevergoeding voor politiemedewerkers met letsel (waaronder een PTSS)

Politie agenten lopen tijdens hun werkzaamheden een grote kans om letsel (en daarmee letselschade) op te lopen. Zowel fysiek letsel als psychisch letsel (zoals een PTSS) komt regelmatig voor en kan tot langdurige of zelfs blijvende arbeidsongeschiktheid leiden. Politieagenten kunnen de politieorganisatie  aanspreken voor schade die zij tijdens het politiewerk lijden (werkgeveraansprakelijkheid, maar met bijzondere regels). Tussen de politie en de politieagent bestaat geen arbeidsovereenkomst, waardoor artikel 7:685 BW niet geldt. Schadevergoeding voor de politiemedewerker is daarom geregeld in een afzonderlijk besluit: het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Als er sprake is van een dienstongeval, heeft de agent recht op een vergoeding van de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging. Bij een beroepsincident bestaat er thans recht op een volledige vergoeding van de schade die ten gevolge van het beroepsincident is ontstaan.[1]

 

De volledige vergoeding bij een beroepsincident, komt uit de ‘Regeling volledige schadevergoeding bij beroepsincidenten politie’.[2]

 

In het Akkoord arbeidsvoorwaarden sector Politie 2015–2017 is afgesproken dat in de rechtspositie een voorziening voor volledige schadevergoeding in verband met een beroepsincident zou worden opgenomen. Vanaf 1 januari 2017 is in artikel 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de definitie van beroepsincident opgenomen. Vanaf diezelfde datum is artikel 54b Barp in werking getreden. In dit artikel is bepaald dat de ambtenaar aanspraak heeft op volledige vergoeding van de schade die hij ten gevolge van een beroepsincident lijdt, voor zover hierin op grond van de rechtspositie en andere uitkeringen niet reeds is voorzien. De betreffende ambtenaar wordt in die situatie vanuit rechtspositionele bepalingen schadeloos gesteld. Hij hoeft de werkgever in beginsel dan ook niet meer aansprakelijk te stellen voor de geleden schade om de resterende schade ook vergoed te krijgen. In artikel 54b, tweede lid, van het Barp, is bepaald dat de minister nadere regels kan stellen omtrent de vaststelling van de schade die op grond van het eerste lid vergoed wordt. Deze regeling is de uitwerking hiervan.

 

Letterlijk luidt art 54b lid 1 Barp thans:

  • De ambtenaar heeft aanspraak op volledige vergoeding van de schade die hij ten gevolge van een beroepsincident lijdt, voor zover hierin op grond van de rechtspositie en andere uitkeringen niet reeds is voorzien.

 

Van groot belang is ook het bepaalde in art 54a BARP.
Ingevolge deze bepaling kan de ambtenaar een aanvraag indienen tot erkenning van zijn klachten als beroepsziekte. Bij toekenning kan (onder meer) een zeer aanzienlijke smartengeldvergoeding gevorderd worden.

Geschillenbeslechting

De politie kent de Commissie van Advies Restschade Afwikkeling Politie (CARAP). De commissie heeft als taak de behandeling van adviesaanvragen van (gewezen) ambtenaren van de politie en/of de politieorganisatie over verzoeken tot vergoeding van restschade als gevolg van een beroepsziekte.[3]

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/vergaderstukken/2023/06/16/adviezen-van-de-commissie-van-advies-restschade-afwikkeling-politie-carap

Bij geschillen over schadevergoeding hoeft de poliiemedwerker dus niet automatisch naar de rechter te gaan maar kan hij dit geschil ook voorleggen aan deze commissie. Dit is sneller en minder kostbaar.

Relevant is tot slot dat het buitensporigheidsvereiste waar vroeger veel vorderingen van politiemedewerkers op strandden door de CrvB is verlaten. Dit volgt uit:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1150

In deze uitspraak van 15 juni 2023 heroverweegt de CRvB de traditionele opvatting dat bepaalde ervaringen die weliswaar naar objectieve maatstaven gemeten zeer ingrijpend zijn, maar inherent zijn aan het werk, niet als buitensporig kunnen worden beschouwd. De CRvB erkent nu dat dergelijke ervaringen wel degelijk buitensporig kunnen zijn en psychische klachten kunnen veroorzaken.[4] Buitensporigheid dient dus niet meer gerelateerd te worden aan de functie (‘is dit gebruikelijk bij de politie?’), maar of het normaal is voor een ‘gemiddeld persoon’.

Conclusie is dat politiemedewerkers nu meer mogelijkheden hebben om hun schade te verhalen. Indien u daar meer over wilt weten neem dan contact op met mr. Thomas van Dijk (079-3239558 of via t.vandijk@advocaatvandijk.nl)


[1] https://wetten.overheid.nl/BWBR0006516/2024-01-20

[2] https://wetten.overheid.nl/BWBR0041736/2023-07-01

[3] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/27/tk-bijlage-11-commissie-van-advies-restschade-afwikkeling-politie#:~:text=De%20commissie%20heeft%20als%20taak,als%20gevolg%20van%20een%20beroepsziekte.

[4] CRvB 15 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1150, r.o. 5.6.

GOMA 2022 per 1 maart 2023 in werking getreden

Onder toenemende maatschappelijke en politieke druk kwam in 2010 de Gedragscode, openheid medische incidenten; betere afwikkeling medische aansprakelijkheid (GOMA), onder auspiciën van de Letselschaderaad, tot stand. Dit specifiek voor medische aansprakelijkheidszaken.

Sindsdien is de afwikkeling van ongewenste gevolgen van medische incidenten verbeterd. Dat nam niet weg dat de complexiteit van het omgaan met medische incidenten en de afwikkeling van medische schadeclaims op een aantal punten nog verder verbeterd kon worden.

 

Nieuwe GOMA
Mede gelet op de ontwikkelingen -zowel in de rechtspraak, in de wetgeving, als in de praktijk- is er in 2022 de aangepaste gedragscode, de GOMA 2022, over het goed omgaan met medische incidenten tot stand gekomen.

De GOMA 2022 beoogt te bewerkstelligen dat op een redelijke, rechtvaardige en voortvarende manier wordt omgegaan met situaties waarin de patiënt wordt geconfronteerd met een medisch incident. Dit door zoveel mogelijk te streven naar een klimaat van wederzijds vertrouwen, transparantie en samenwerking.

 

De GOMA geldt voor alle betrokkenen
Net als de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) die geldt voor alle zorgaanbieders en die zowel van toepassing is op grote en kleine zorgaanbieders als op individuele beroepsbeoefenaren, richt ook de GOMA 2022 zich op alle zorgaanbieders en zorgverleners in de zorg die met een incident als bedoeld in de code te maken krijgen. De GOMA 2022 is daarom niet alleen relevant voor ziekenhuizen maar ook voor zorgaanbieders en zorgverleners in andere zorgsectoren, zoals de GGZ, de huisartsenzorg en particuliere klinieken.

De GOMA 2022 richt zich daarnaast ook tot andere personen die betrokken zijn bij incidenten in de zorg en bij het proces dat daarop volgt, zoals schadebehandelaars en medewerkers van verzekeraars van medische aansprakelijkheid, zelf regelende ziekenhuizen, belangenbehartigers en tevens tot de patiënt zelf.

 

Indeling en inhoud van de GOMA
De indeling van de GOMA 2022 is als volgt:

  • Begripsomschrijvingen (incident, calamiteit, intern onderzoek, zorgaanbieder en zorgverlener)
  • Aanbevelingen (in totaal bevat de GOMA 26 aanbevelingen verdeeld over 4 categorieën: uitgangspunten / signaleren, communiceren & onderzoeken / herstellen & oplossen / afhandeling verzoek tot financiële compensatie.

 

Afdwingbaarheid
Gebondenheid aan de aanbevelingen zoals opgenomen in de GOMA wordt in de (tucht) rechtspraak over het algemeen zonder veel omhaal aangenomen. Deze binding kan onder meer worden verklaard doordat representatieve (koepel) organisaties hebben verklaard zich aan de aanbevelingen zoals opgenomen in de GOMA te zullen houden. De GOMA kan daarmee geacht worden de verkeersopvattingen binnen de zorg weer te geven zodat de patiënt er op mag vertrouwen dat conform de aanbevelingen van de GOMA zal worden gehandeld. Wilt u hier meer over weten neem dan contact op met mr. Thomas van Dijk via t.vandijk@advocaatvandijk.nl.

Begroting van smartengeld/immateriële schade: relevante factoren

Recht op vergoeding van smartengeld of immateriële schade bestaat volgens art. 6:106 BW in de volgende drie gevallen:

  1. De aansprakelijke persoon had het oogmerk nadeel (immateriële schade) toe te brengen
  2. Benadeelde heeft lichamelijk letsel opgelopen, is in zijn eer of goede naam geschaad of is op andere wijze in zijn persoon aangetast
  3. Er is een aantasting in de nagedachtenis van een overledene toegebracht.

In de praktijk wordt smartengeld veelal toegekend daar waar lichamelijk letsel is toegebracht. Bij het begroten van het smartengeld spelen vele factoren een rol. Het gaat dan onder meer om de navolgende factoren:

  • Aard van het letsel
  • Ernst van het letsel
  • Duur van het letsel
  • Duur en intensiviteit van de medische behandeling als gevolg van het letsel
  • Duur van opnames in ziekenhuizen en/of revalidatiecentra
  • Mate van beperkingen ten gevolge van het letsel
  • De gevolgen van deze beperkingen op het dagelijks leven
  • De leeftijd en de levensverwachting van het slachtoffer
  • De invloed van de beperkingen en het letsel op hobby’s, sport en vrijetijdsbesteding van het slachtoffer
  • De invloed van de beperkingen op de beroepsuitoefening van het slachtoffer
  • De invloed van de beperkingen op de mobiliteit
  • De invloed van de beperkingen op de relatie met anderen (partner, gezinsleden, familie en vrienden)
  • Bewustheid van de aansprakelijke partij en de mate van schuld van de aansprakelijke partij
  • De wijze waarop de schade is afgehandeld en de duur van het schadebehandelingstraject.

 

Nadat alle relevante factoren zijn vastgesteld wordt vaak een vergelijking gemaakt met bedragen die in andere, vergelijkbare, zaken zijn toegekend. Er wordt daarbij onder meer gebruik gemaakt van de ANWB Smartengeldgids. Deze Smartengeldgids geeft inzicht in de hoogte van de aanspraak op smartengeld waarbij de beschreven gevallen in diverse categorieën in de gids zijn onderverdeeld.

Door het te vergelijken met bedragen die in het verleden zijn toegekend ontstaat wel het probleem dat de bedragen maar in beperkte mate worden aangepast. Mede hierdoor zijn de bedragen in Nederland in vergelijking die in het buitenland worden toegekend relatief laag.

Dit terwijl de rechter gelet op de bewoordingen van art 6:106 BW (‘naar billijkheid vast te stellen’) en van artikel 6:97 BW (‘geschat’) een vrij grote vrijheid heeft om een passend bedrag vast te stellen.

Als Advocaat is het is hierbij (mede gelet op de huidige inflatie) dus van belang om bij het indienen van een vordering steeds de bovengrens op te zoeken.

Mocht u vragen hebben over de vaststelling van het smartengeld in uw zaak neem dan contact op met mr. T.J.J. van Dijk (t.vandijk@advocaatvandijk.nl) / 079-323 95 58

mr. T.J.J. van Dijk heeft deelgenomen aan de LSA Audit 2020

Advocatenkantoor Thomas van Dijk werd op 21 december 2020 geauditeerd door de auditors van de vereniging van letselschadeadvocaten LSA.
Op alle aspecten werd het kantoor door de auditors en het bestuur van de LSA positief beoordeeld.

De LSA audit vormt één van de kwaliteitsinstrumenten van de vereniging LSA om het hoogst haalbare keurmerk in de letselschadebranche te waarborgen.

Het aan de Advocatenkantoor Thomas van Dijk uitgegeven certificaat is hier te vinden.

Mocht u hierover vragen of opmerkingen hebben neem dan contact op met mr. T.J.J. van Dijk op telefoonnummer 079-323 95 58 of via t.vandijk@advocaatvandijk.nl.

Rechtsbijstandverzekering: nu ook een vrije advocaatkeuze als het niet tot een rechtszaak komt.

Ook in een buitengerechtelijke procedure heeft een verzekerde recht op een vrije advocaatkeuze, aldus een recente uitspraak van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KIFID).

De geschillencommissie van het KIFID boog zich recent over een zaak waarin een atlete bij haar rechtsbijstandsverzekeraar de kosten claimde voor een advocaat gespecialiseerd in sportrecht.
Dit om een foutief artikel over haar in het tijdschrift van de Nederlandse Triatlonbond te laten rectificeren. De rechtsbijstandsverzekeraar weigerde deze claim omdat het niet tot een rechtszitting kwam. Er was sprake van een buitengerechtelijke procedure, waarvoor het recht op vrij advocaatkeus niet zou gelden aldus de rechtsbijstandsverzekeraar.

De geschillencommissie ging hier niet in mee en wees naar een eerdere uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 14 mei 2020. Deze eerdere uitspraak biedt -aldus de geschillencommissie- voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat onder een gerechtelijke procedure ook een buitengerechtelijke procedure kan worden verstaan. Het begrip gerechtelijke procedure moet even ruim worden uitgelegd als het begrip administratieve procedure aldus de geschillencommissie.

Als verzekerde heeft u ingevolge deze uitspraak dan ook recht op vergoeding van de kosten van een advocaat ook indien het niet tot een gerechtelijke procedure komt.

De uitspraak is te vinden via: https://www.kifid.nl/wp-content/uploads/2021/04/Uitspraak-2021-0300-Bindend.pdf

Mocht u hierover vragen of opmerkingen hebben neem dan contact op met mr. T.J.J. van Dijk op telefoonnummer 079-323 95 58 of via t.vandijk@advocaatvandijk.nl.